zaterdag 5 april 2008

Fleischer Studios feature deel 1 - Out of the Inkwell

Fleischer Studios was lange tijd een belangrijke concurrent van Disney. In plaats van zich eveneens te concentreren op schattige diertjes en realistisch geanimeerde situaties koos Fleischer juist voor het tegendeel: optimaal gebruik maken van de speelsheid die inherent is aan het animatiemedium met een grote hoeveelheid surrealisme. Dit gaf het bedrijf twintig jaar lang succes en bekendheid, tot het in 1941 werd overgenomen door Paramount. In deze features worden Fleischer's opmerkelijke animatieseries beschouwd en gekoppeld aan de ontwikkeling van Fleischer Studios.



Net als bij Disney begint het succesverhaal van Fleischer met technische innovatie. Max Fleischer vond de rotoscope uit, waardoor extreem realistisch geanimeerd kon worden op basis van live-action beelden. Max animeerde zijn broer Dave, die in het New Yorkse pretpark Coney Island als werkte in zijn clownskostuum. In plaats van te kiezen voor een volledig realistische animatiefilm, koos Max voor een revolutionaire framing device: hij werd afgebeeld in live-action beelden als de tekenaar die de clown, nu Koko genaamd, tekende. We zien hem achter zijn tekentafel en daarna zien we zijn hand met een inkpen de clown tekenen. Wanneer hij zijn creatie beu is deponeert hij hem terug in de inktpot. Na enkele experimentele films resulteerde dit in de titel van de animatieserie, Out of the Inkwell, en de oprichting van een gelijknamig bedrijf. Pas enkele jaren later, bij het aanvangen van een nieuwe serie ging Max en Dave's bedrijf ook daadwerkelijk Fleischer Studios heten.



The Tantalizing Fly (1919)

De interactie tussen animatie en live-action was extreem innovatief in 1914. Was dit echter het enige dat Out of the Inkwell bijzonder maakte, dan zou men snel de aandacht van de bioscoopbezoeker verliezen. Gelukkig was er ook narratieve innovatie in de vorm van de wisselwerking tussen creator en creatie. Hieruit volgt veel van de humor. Max Fleischer wil als tekenaar zijn tekening kunstjes laten vertonen en daar verzet Koko zich tegen. Meestal is hij hem hierbij te slim af door de mogelijkheden die bij zijn status als animatiekarakter horen. Deze vorm werd gesublimeerd in de Looney Tunes short Duck Amuck, met een iets minder gunstige uitkomst voor Daffy Duck.


Trip to Mars (1924)

Hoewel Koko vaak ten dele gerotoscoped is, ging de expressiviteit van de animatie in dit tijdperk nog slechts met kleine stapjes vooruit. Veel animatieconventies dienden simpelweg nog worden uitgevonden en daarom leunden soortgelijke animatiefilms nog op stripconventies zoals sterretjes en snelheidslijnen. Pas een jaar voor het eindigen van Out of the Inkwell (in 1929) kwam de eerste geluidsanimatiefilm Steamboat Willie, dus speachbaloons en titlecards zijn de enige mogelijkheden om dialogen over te brengen. Gelukkig weten de Fleischers hoe ze dit tot een minimum kunnen houden door de lichaamstaal van Koko, die meestal niet kan praten.
De inmengeling van de bijna goddelijke hand van Fleischer zorgt op zichzelf al voor absurdisme, maar ook in de animatie vinden bizarre transformaties van niet levende naar levende objecten plaats. Deze transformaties staan tegenwoordig bekend als een Fleischer trademark en staan symbool voor de speelsheid die animatie verloren heeft.


Bed Time (1923)


Jumping Beans (1922)

De komst van geluid betekende het einde van Out of the Inkwell. De Fleischers begonnen twee nieuwe series: de Screen Songs, met figuren die dansen op een liedje met de bekende bouncing ball (de voorloper van de videoclip) en de Talkartoons. In de latere Out of the Inkwells kreeg Koko een hondcompaan: Fitz. Dit karakter ontpopte zich in de Talkartoon serie als Bimbo, de brutale hond in een wereld vol antropomorfistische dieren. Dit vergrootte het surrealisme zonder schattig te worden en zou uiteindelijk leiden tot Fleischer Studios' megaster Betty Boop.